Eendraadsschema maken: wat moet erop staan volgens het AREI

Een overzicht voor huishoudelijke installaties, met de artikels uit AREI Boek 1. Voor wie zelf een schema tekent of het schema van een installateur wil nalezen.

Bijgewerkt op 24 september 2026. Gebaseerd op AREI Boek 1, geconsolideerde versie 06, van toepassing sinds 1 april 2026.

Wanneer is een eendraadsschema nodig?

Het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties (AREI) vraagt een eendraadsschema en een situatieplan voor elke nieuwe huishoudelijke installatie, en voor elke belangrijke wijziging of uitbreiding van een bestaande installatie (art. 3.1.2.1.a). De verantwoordelijke voor de uitvoering van de werken stelt ze op. Volgens de FAQ van de FOD Economie bij het KB van 5 maart 2023 geldt het toevoegen van een nieuwe stroombaan in een huishoudelijke installatie als een belangrijke uitbreiding.

Is de installatie bij de gelijkvormigheidscontrole conform, dan tekenen en dateren de verantwoordelijke voor de uitvoering en het erkend organisme de schema’s en plannen. Sinds 1 juni 2023 staat de handtekening van de eigenaar daar niet meer bij.

Algemene gegevens en titelblok

Deze gegevens horen op het eendraadsschema, en de eerste twee ook op het situatieplan (afdeling 3.1.2 en art. 3.1.2.1.a):

  • naam, hoedanigheid en btw-nummer (indien van toepassing) van de verantwoordelijke voor de uitvoering;
  • het adres van de plaats van de installatie;
  • het nummer, de versie en de datum van de versie van het document;
  • de spanning en de aard van de stroom, bijvoorbeeld 3x400V+N;
  • plaats voor de handtekening en de datum van de verantwoordelijke en van het erkend organisme.

Het officiële voorbeeld in Boek 1, Figuur 3.1, groepeert die gegevens in een titelblok met vakken voor het adres, de spanning, de aard van de stroom, het nummer en de versie, en twee handtekeningvakken.

Kringen en nummering

Art. 3.1.2.1.a legt de codering vast. Elke elementaire stroombaan (kring) krijgt een hoofdletter. Elk lichtpunt, elke contactdoos en elke sturingseenheid krijgt een nummer, in volgorde vanaf de beveiliging tegen overstroom van die kring. Het derde punt op kring B heet zo B3.

Dezelfde letter en hetzelfde nummer komen terug op het situatieplan (art. 3.1.2.3.a). Zo vindt u elk punt op beide documenten terug. Lees daarover meer in de gids Situatieschema maken voor de keuring.

De minimale inhoud

Art. 3.1.2.2.a somt op wat het eendraadsschema van een huishoudelijke installatie minstens bevat:

  • van elke leiding het type, de doorsnede en het aantal geleiders;
  • de plaatsingswijze van de leidingen, bijvoorbeeld in de wand of in een buis;
  • type en kenmerken van de differentieelstroombeschermingsinrichtingen (de differentieelschakelaars);
  • type en kenmerken van de beveiligingen tegen overstroom, zoals zekeringen en automaten;
  • de schakelaars, verbindingsdozen, aftakdozen, contactdozen en lichtpunten;
  • de vaste machines en toestellen;
  • de bronnen, zoals een transformator, fotovoltaïsche panelen, een omvormer of een batterij.

In Figuur 3.1 ziet u hoe dat er in de praktijk uitziet: C20 naast een automaat, XVB 3G2.5 Cca langs een kabel, en 40/0.03A Type A naast een differentieel. In 3G2.5 staat de G voor een kabel met groen-gele beschermingsgeleider.

Een EAN-nummer, het tellernummer, het netsysteem of het kortsluitvermogen staan niet in de lijst van 3.1.2.2.a voor huishoudelijke installaties.

Symbolen en legende

De symbolen staan in Tabel 2.23 van hoofdstuk 2.13. Sinds 1 juni 2023 is die tabel een niet-limitatieve lijst, met ook rubrieken voor bronnen en voor domotica. Staat een symbool er niet in, dan mag u een ander duidelijk herkenbaar symbool gebruiken, op voorwaarde dat het in de legende van de schema’s en plannen gedefinieerd is (art. 3.1.2.1.a).

Hoe u het schema op het blad schikt, legt het AREI niet vast. Figuur 3.1 loopt van onder (de teller) naar boven (de verbruikers), maar het blijft een voorbeeld.

Installatieregels die u op het schema terugziet

Het schema is ook de plaats waar de opbouw van de installatie zichtbaar wordt. Enkele regels die daar direct uit af te lezen zijn:

  • Aan het begin van de installatie staat ten minste één differentieel van ten hoogste 300 mA (art. 4.2.4.3.b). Differentiëlen in een huishoudelijke installatie zijn ten minste van type A, en die aan het begin heeft een nominale stroom van ten minste 40 A (art. 5.3.5.3.a).
  • Sinds 1 juni 2023 staat onmiddellijk daarna ten minste één differentieel met hoge gevoeligheid (ten hoogste 30 mA) voor de contactdozen die niet bestemd zijn voor vaste toestellen, de verlichting, de ruimten met een bad of douche, en de wasmachine, droogkast en afwasmachine. Per zo’n differentieel zijn maximaal 8 eindstroombanen toegelaten (art. 4.2.4.3.b).
  • Is de spreidingsweerstand van de aarding hoger dan 30 Ω, dan zijn er ten minste twee van die differentiëlen, met elk ten hoogste zestien contactdozen (art. 4.2.4.3.b).
  • Per eindstroombaan zijn ten hoogste acht enkelvoudige of meervoudige contactdozen toegelaten (art. 5.3.5.2.b).
  • Een vast toestel van 2600 W of meer krijgt een eigen stroombaan, net als de wasmachine, de afwasmachine, de droogkast, het elektrisch fornuis, de kookplaat en de oven (art. 5.2.1.2).

Voor werken die vóór 1 juni 2023 begonnen en pas daarna gekeurd worden, bestaan overgangsregels (art. 4.2.4.3.b, laatste alinea, en 6.5.8.1).

Nalopen voor u afdrukt

  • Heeft elke kring een letter, en loopt de nummering per kring vanaf de beveiliging?
  • Staan bij elke leiding het type, de doorsnede, het aantal geleiders en de plaatsingswijze?
  • Staan bij elke differentieel en elke beveiliging het type en de kenmerken?
  • Staan het adres, de spanning, de aard van de stroom, het nummer, de versie en de datum erop?
  • Zijn symbolen die niet in Tabel 2.23 staan in de legende uitgelegd?
  • Komen de codes overeen met die op het situatieplan?

Bronnen

AREI Boek 1, geconsolideerde tekst versie 06 (FOD Economie): afdeling 3.1.2 met Figuur 3.1, hoofdstuk 2.13 met Tabel 2.23, onderafdelingen 4.2.4.3, 5.2.1.2, 5.3.5.2 en 5.3.5.3. FAQ van de FOD Economie bij het koninklijk besluit van 5 maart 2023 (versie 03.07.2023). Deze gids vat de tekst samen en vervangt hem niet.

Zo doet OneLine het

In OneLine vult u de installatie in als een lijst: aansluiting, differentiëlen, kringen en verbruikers. OneLine tekent daaruit het eendraadsschema met de symbolen uit Tabel 2.23.

  • Kringletters en verbruikersnummers worden automatisch toegekend en blijven kloppen als u een kring toevoegt of een verbruiker verplaatst.
  • Kabeltype, doorsnede, aantal polen en plaatsingswijze staan bij elke kring op het schema.
  • Het titelblok bevat het adres, de spanning, het nummer, de versie en de datum, en de handtekeningvakken.
  • De controles tonen aandachtspunten met een verwijzing naar het AREI-artikel, en de keuringschecklist zegt wat ter plaatse moet worden nagekeken.
  • Het situatieschema gebruikt dezelfde codes.

OneLine is een tekenhulpmiddel. De controles ondersteunen u, maar de beoordeling van de installatie gebeurt door het erkend organisme.